Shabbats­lezingen: Een mens oogst wat hij zaait

vrijdag 26 november 2021 |  Floris Poot
In drie geschiedenissen in Genesis speelt telkens een geit een grote rol. Een geit werd gebruikt om Isa'ak te bedriegen, om de waarheid over Jozef te verbergen, en om de waarheid aan het licht te brengen over Juda's slippertje. Ondanks dat alles gaat Gods werk door.

De Bijbelgedeelten voor de komende shabbat Wayeshev (En hij woonde) zijn:

✡ Torahlezing: Genesis 37 – 40,
✡ Profetenlezing: Amos 2:6 – 3:8
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Matteüs 1:1-6 en 16-25.

Lees de uitleg na de tekstgedeelten

Gedeelten uit de Torahlezingen
Toen zei Rebekka tegen Jakob, haar zoon: Zie, ik heb je vader tegen Esau, je broer, horen zeggen: Breng me een stuk wild en maak een smakelijk gerecht voor me klaar om op te eten; dan zal ik je voor het aangezicht van de HEERE zegenen, vóór mijn dood. Nu dan, mijn zoon, luister naar mijn stem, naar wat ik je gebied. Ga toch naar de kudde en haal daar voor mij twee goede geitenbokjes. Dan zal ik daarvan een smakelijk gerecht voor je vader klaarmaken, zoals hij het graag heeft. Dat moet je naar je vader brengen en hij zal het eten. Dan zal hij je zegenen, vóór zijn dood.

Luister nu maar naar mijn stem en ga ze voor mij halen. Toen ging hij ze halen en hij bracht ze bij zijn moeder. En zijn moeder maakte een smakelijk gerecht klaar, zoals zijn vader het graag had. Daarop nam Rebekka de kostbare kleren van Esau, haar oudste zoon, die ze bij zich in huis had, en trok ze Jakob, haar jongste zoon, aan. Het vel van de geitenbokjes trok ze over zijn handen en over zijn gladde hals.

[Jozef] zei: Ik ben op zoek naar mijn broers; vertel mij toch waar zij aan het weiden zijn. Toen zei die man: Zij zijn vanhier opgebroken, want ik hoorde hen zeggen: Laten we naar Dothan gaan. Jozef ging zijn broers achterna en trof hen aan bij Dothan. Zij zagen hem al van ver; en nog voor hij in hun nabijheid gekomen was, beraamden zij een listig plan tegen hem om hem te doden. Zij zeiden tegen elkaar: Zie, daar komt die meesterdromer aan. Nu dan, kom, laten we hem doodslaan en hem in een van deze putten gooien, en wij zullen zeggen: Een wild dier heeft hem opge­geten. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen terecht­komt.
Ruben hoorde dat en wilde hem uit hun hand redden. Hij zei: Laten wij hem niet om het leven brengen. Ruben zei ook tegen hen: Vergiet geen bloed; gooi hem in deze put die in de woestijn is, en sla niet de hand aan hem. Hij zei dit om hem uit hun hand te redden en hem naar zijn vader terug te brengen.
En het gebeurde, toen Jozef bij zijn broers was gekomen, dat zij Jozef zijn gewaad uittrokken, het veel­kleurige gewaad dat hij droeg, en zij namen hem en gooiden hem in de put. De put nu was leeg, er stond geen water in. Vervolgens gingen zij zitten om de maaltijd te gebruiken. Toen ze hun ogen opsloegen, zagen zij, zie, een karavaan van Ismaëlieten uit Gilead aankomen. En hun kamelen droegen specerijen, balsem en mirre, en zij waren op weg om dat naar Egypte te brengen.
Toen zei Juda tegen zijn broers: Wat hebben wij er voor baat bij, als wij onze broer doden en zijn bloed verbergen? Kom, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen; laten wij niet onze hand aan hem slaan. Hij is immers onze broer, ons eigen vlees. Zijn broers luisterden naar hem. Toen er Midianitische kooplieden voorbijkwamen, trokken en tilden zij Jozef uit de put en verkochten zij Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten. Die brachten Jozef naar Egypte.
Ruben kwam terug bij de put en zie, Jozef was niet in de put! Toen scheurde hij zijn kleren. Hij keerde terug naar zijn broers en zei: De jongen is er niet. En ik, waar moet ik naartoe? Toen namen zij het gewaad van Jozef, slachtten een geitenbok en dompelden het gewaad in het bloed. Zij stuurden het veelkleurige gewaad naar hun vader en zeiden: Dit hebben wij gevonden. Kijk toch eens of dit het gewaad van uw zoon is of niet. Hij herkende het en zei: Het is het gewaad van mijn zoon. Een wild dier heeft hem opgegeten. Jozef is ongetwijfeld verscheurd. Toen scheurde Jakob zijn kleren, deed een rouwgewaad om zijn middel en rouwde vele dagen om zijn zoon.

Toen trok [Juda's schoondochter Tamar] haar weduw­kleed uit, bedekte zich met een sluier, omhulde zich en ging zitten bij de ingang van Enaïm, dat op de weg naar Timna ligt. Zij had namelijk gezien dat Sela groot geworden was en zij aan hem niet tot vrouw was gegeven. Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar gezicht bedekt had. En hij ging naar haar toe langs de weg en zei: Kom toch mee, ik wil bij u komen; hij wist immers niet dat het zijn schoondochter was.
En zij zei: Wat zult u mij geven, als u bij mij komt? Hij zei: Ik zal u een geiten­bokje van mijn kudde sturen. Zij zei: Goed, als u een onderpand geeft, totdat u het bokje gestuurd hebt. Toen zei hij: Wat is het onderpand dat ik u zal geven? Zij zei: Uw zegelring, uw snoer en uw staf, die u in uw hand hebt. Hij gaf ze haar, kwam bij haar, en zij werd zwanger van hem. Daarna stond zij op, ging weg, legde haar sluier van zich af en trok haar weduw­kleed weer aan. Juda stuurde het geitenbokje door bemiddeling van zijn vriend uit Adullam, om het onder­pand uit de hand van de vrouw terug te krijgen; hij vond haar echter niet.

Genesis 27:6-10 en 14-16, 37:16-34 en 38:14-20(HSV).

Een gedeelte uit de Profetenlezing
Na de moord-per-brief op Uria, wiens vrouw Batseba door David zwanger was gemaakt, bestraft de profeet Nathan de koning. Die velt, onbewust dat het hemzelf betreft, het oordeel over zichzelf: hij moet het gestolene viervoudig vergoeden. Dat is ook gebeurd: vier van Davids zonen, het kind van Batseba, Amnon, Absalom en Adonia werden gedood.

En de HEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm. De rijke had heel veel schapen en runderen. Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen. Het at mee van zijn stuk brood, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem. Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen een van zijn eigen schapen en runderen te nemen, om een maaltijd te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.
Toen ontstak David in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: Zo waar de HEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods! En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had.

2 Samuël 12:1-6 (HSV).

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
In het geslachtsregister van Jezus herkennen we een aantal namen van mensen die wij liever niet in onze familie­stam­boom tegenkomen: Tamar, Rachab, Ruth de Moabitische, de vrouw van Uria. Jezus schaamde zich er niet voor, af te dalen naar gewone mensen met hun eigenaardigheden, en familie van hen te worden. Juist voor hen is Hij op aarde gekomen.

Het geslachtsregister van Jezus Christus, de Zoon van David, de Zoon van Abraham. Abraham verwekte Izak, Izak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broers; Juda verwekte Perez en Zerah bij Tamar; Perez verwekte Hezron, Hezron verwekte Aram; Aram verwekte Aminadab, Aminadab verwekte Nahesson, Nahesson verwekte Salmon; Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï; Isaï verwekte David, de koning; David, de koning, verwekte Salomo bij haar die de vrouw van Uria was.
Mattheüs 1:1-6 (HSV).

Een mens oogst wat hij zaait

In bovenstaande drie geschiedenissen in Genesis speelt telkens een geit een grote rol. Een geit wordt gebruikt om te bedriegen, om de waarheid te verbergen, en om de waarheid aan het licht te brengen. Ondanks dat alles gaat Gods werk door.

Vader Isa'ak vraagt zijn zoon Esau om op jacht te gaan en een stuk wildbraad voor hem te bereiden, waarna hij hem de zegen van de eerstgeborene zal geven. In plaats daarvan stooft zijn vrouw Rebekka hem een geit, en Jakobs gladde handen gaan schuil onder het ruwe vel van de geslachte geitenbokjes. Dit alles om Jakob de grote zegen van zijn vader te bezorgen. Het eerste resultaat van dit bedrog is een woedende Esau, waardoor Jakob moet vluchten naar een ander land.

Vele jaren later heeft God Jakob gezegend met een groot gezin. Zijn lievelingsvrouw Rachel heeft hem na lange tijd een zoon geschonken, die de naam Jozef kreeg. Het werd zijn lieveling, die hij verwende met een mooie gekleurde jas. Bovendien vertelde Jozef vol trots zijn wonderlijke dromen aan zijn broers, en dat maakte hem niet echt geliefd.

Wanneer zijn broers dan ver van huis Jozef te pakken nemen, en hem op Juda's initiatief verkopen als slaaf, speelt weer een geit een belangrijke rol. De mooie jas van Jozef wordt in geiten­bloed gedompeld en aan Jakob gezonden. Zo verbergen de broers hun daad en bedrie­gen hun oude vader. Hij is ontroostbaar over de vermeende dood van zijn lievelingszoon.

Er zal weinig gepreekt zijn over de geschiedenis van Juda en Tamar. Daarom eerst in het kort wat er gebeurde: Juda verlaat de familie­kring (uit schuld­gevoelens?), trouwt met een Kanaänitische vrouw en krijgt drie zonen. De oudste trouwt met Tamar, en sterft voordat hij nageslacht verwekt. Volgens het familie­recht van die dagen moest een broer dan nageslacht verwekken op naam van de gestorvene. Dat heette het zwager­huwelijk of leviraats­huwelijk. Daar had broerlief geen zin in, en God doodde hem.

Wanneer Juda's derde zoon Sela de huwbare leeftijd heeft bereikt, geeft hij hem niet aan Tamar - er mocht hem eens het zelfde overkomen als zijn broers! Dan verzint Tamar een list om Juda aan zijn verplichting van het zwagerhuwelijk te houden. Ze geeft zich uit voor een hoer, en heeft gemeenschap met Juda in ruil voor een geitenbokje. Als onderpand voor het bokje vraagt zij om Jakobs zegelring, zijn snoer en zijn staf - de tekenen van zijn waardigheid. Een onderpand dat zij niet omruilt voor het beloofde bokje, ze lijkt wel van de aardbodem verdwenen.

Drie maanden later krijgt Juda te horen: Uw schoon­dochter Tamar, die is toch weduwe? Kijk nou eens, ze is zwanger, uit hoererij. Juda is snel in zijn oordeel: 'Laat haar verbrand worden'. Dan confron­teert zij Juda er mee, dat hij de vader is: 'Kijk eens, van wie deze voorwerpen zijn'. Onbedoeld en onbewust heeft Juda voldaan aan de familieplicht van het zwagerhuwelijk. Dan zegeviert de waarheid - dank zij het beloofde geitebokje - als Juda zegt 'Zij staat in haar recht, meer dan ik'. De keten van bedrog is doorbroken door het erkennen van de waarheid.

Driemaal treedt een geitenbokje op als symbool van falende menselijke pogingen om zelf iets te bereiken of te realiseren buiten God om, of om bedrog te verbergen. Het levert niets op dan mislukking, verdriet en wanhoop, totdat er inkeer en erkennen van schuld plaatsvindt.

Toch volvoert God, dwars door dit  menselijk onver­mogen en pogen heen,  Zijn Grote Plan. Steeds weer toont Hij aan - zoals we in Jezus' geslachtsregister zien - dat Hij ondanks het menselijke gebroddel, de situatie tot een machtige vernieuwde en gezegende situatie voert.

Wilt u meer nieuws ontvangen over Israël? Klik hier voor de dagelijkse gratis e-mail nieuwsbrief.

Blijf op de hoogte van de gebeurtenissen in Israël via onze GRATIS nieuws update en aanbiedingen, u ontvangt deze direct in uw email inbox.