Twee artikelen, zeven grote Palestijnse leugens

Wednesday, November 11, 2020 |  Stephen M. Flatow
Hoeveel echt grote leugens passen er in twee artikelen in het officiële dagblad van de Palestijnse Autoriteit? Ten minste zeven, te oordelen naar de uitbarsting over de Balfourdag van dit jaar vanuit Ramallah.

Balfourdag, 2 november, is de verjaardag van de Engelse Balfour-verklaring uit 1917. Hij is genoemd naar de opsteller; Arthur James Balfour, minister van Buitenlandse Zaken van Engeland van 1916 tot 1919, die beloofde te helpen bij het creëren van een ‘Joods nationaal huis’ in het toenmalige Palestina. Palestijnse Arabieren beschouwen het als een dag van rouw, en gedenken deze dag meestal door rellen te veroorzaken en door te proberen Joden dood te gooien met stenen in Judea en Samaria.

Als de Palestijnse Arabieren echt gematigd waren en naar vrede streven - zoals Arabisten van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en linkse Amerikaanse Joden altijd beweren - zouden ze geen probleem hebben met Balfourdag. Balfour heeft immers niet de grenzen van de toekomstige Joodse Staat bepaald. In de verklaring stond alleen dat er ooit ergens in het land een Joods ‘nationaal huis’ van enige omvang zou zijn. Maar het bestaan van een Joodse Staat van welke omvang dan ook, dat is wat de Palestijnse Arabieren woedend maakt - vandaar het geweld en de hysterie.

Met hysterie bedoel ik twee schuimbekkende artikelen, die op 3 november in de Palestijnse Arabische krant Al-Hayat Al-Jadida verschenen. (Alle vertalingen met dank aan Palestinian Media Watch.)

Ik wil wel stellig opmerken dat Al-Hayat Al-Jadida niet zomaar een krant die in de marge publiceert. Het is de officiële krant van de Palestijnse Autoriteit. Het is de geautoriseerde stem van het heersende regime van Machmoud Abbas.

Ook wil ik opmerken dat de artikelen in kwestie niet zijn geschreven door een aantal onbekende, amateu­ristische journalisten. Ze zijn geschreven door twee vaste columnisten van de krant, Omar Hilmi Al-Ghoul en Muwaffaq Matar. Het aantal krank­zinnige verzinsels dat Al-Ghoul en Matar in hun artikelen hebben weten te proppen is bijna adem­benemend.

Leugen nummer 1: Laten we eerst eens kijken naar Al-Ghoul. Hij begon met te beweren dat het ‘begin van de diefstal van Palestina’ de ‘Campbell-Banner­man conferentie’ van 1907 was. Die confe­rentie van leiders van het Verenigd Koninkrijk en premiers van enkele Britse koloniën bespraken het benoemen van die gebieden als ‘dominions’ in plaats van als ‘kolonies’ en debatteerden over zelfbestuur in Ierland en India. Het had niets te maken met Palestina, dat pas meer dan tien jaar later onder Brits bewind zou komen.

Leugen nummer 2 van Al-Ghoul was zijn beschrijving van de Joodse gemeenschap in het Palestina voor de oprichting van Israël als een ‘buiten­lands kolonia­listisch lichaam’. Joden leven natuurlijk al meer dan 3000 jaar onafgebroken in het land, terwijl de Arabieren pas in de 7e eeuw na Christus van het Arabische schiereiland kwamen. Dus, wie zijn precies de echte buitenlanders?

Leugen nummer 3 was zijn bewering dat de Britten de Joodse Staat ‘in het land van het Palestijnse volk hebben geplant’. Met andere woorden, dat de Britten Israël hebben gecreëerd. In werkelijkheid lieten de Britten in de jaren twintig van de vorige eeuw een bescheiden Joodse immigratie toe en beperkten vervolgens in de jaren dertig van de vorige eeuw de immigratie en de Joodse landaankopen sterk. Herinnert iemand zich het beruchte Witboek van 1939? En er bestond geen Palestijns volk.

Al die tijd lieten de Britse autoriteiten onge­contro­leerde illegale Arabische immigratie in Palestina toe. En in 1948 leidden Britse officieren de Arabische invasie van de pasgeboren Staat Israël en vulden Britse wapens het arsenaal van de Arabische legers.

Leugen nummer 4: De vierde grote leugen van Al-Ghoul trok vorige week de meeste aandacht, omdat die zo bizar was, dat hij zelfs niet eerder in de gebruikelijke Arabische propa­ganda-publicaties is verschenen. De reden dat de Britten Israël ‘creëerden’, schreef hij, was dat de Europeanen ‘historische rekeningen wilden vereffenen met de Arabieren en moslims als reactie op de nederlagen van de kruisvaarders’.

Voor de goede orde, die islamitische overwinningen over de kruis­vaarders vonden plaats eind twaalfde en begin dertiende eeuw. Met andere woorden, onge­veer 700 jaar voor de oprichting van Israël. Hoeveel Engelsen denk je dat zeven eeuwen later de leiders, de jaartallen, of de locaties van de kruistochten zouden kunnen noemen, of die nederlagen willen wreken?

Voor leugen nummer 5 wenden we ons tot Matar: Om de waarheid te vinden over de histo­rische achter­grond van het conflict, verklaart hij, moet men het boek van Machmoud Abbas over ‘De Geheime Relatie tussen Nazisme en Zionisme’ lezen. Daar beweert Abbas dat de zionistische beweging met de nazi's samenwerkte om Joden te doden, zodat ze na de oorlog sympathie kon krijgen.

Leugen nummer 6 riekt naar de ‘Protocollen van de Wijzen van Zion’. Volgens Matar, ‘heeft het zionisme de controle over de instrumenten van leiderschap, geld, communicatie, veiligheid en informatie in grote staten en wereldmachten’.

En tot slot hebben we Leugen nummer 7, die zowel Al-Ghoul als Matar hebben uitgedragen: de vreemde bewering dat ‘de gelovigen van de Joodse religie vredelievende anti-Zionisten zijn die 'uitgebuit' zijn en als 'pionnen' worden gebruikt door de boze Zionistische beweging’. We herinneren ons allemaal met afschuw hoe Yasser Arafat dit argument promootte door bijeenkomsten te houden met de leider van de kleine fanatieke anti­zionistische ‘Neturei Karta’ sekte. Arafat zou verklaren dat Neturei Karta de echte vertegenwoordiger van het Jodendom was. Hij kon niet begrijpen waarom de wereld weigerde zijn krankzinnige claim serieus te nemen.

Redelijke, rationele mensen nemen geen van deze zeven grote leugens serieus. Maar ook al erkent iedereen, dat dit allemaal waan­zinnige fantasieën en verzinsels zijn, toch blijft de internationale gemeen­schap eisen dat Israël in zijn achtertuin instemt met de oprichting van een soevereine Palestijnse Arabische staat onder leiding van deze waanzinnige haatzaaiers. Dat is het echte probleem.

Stephen M. Flatow is vicepresident van de Religious Zionists of America, advocaat in New Jersey en de vader van Alisa Flatow, die in 1995 werd vermoord in een door Iran gesponsorde Palestijnse terreur­aanslag. Hij is de auteur van 'A Father's Story: Mijn strijd voor gerechtigheid tegen de Iraanse terreur.'
Dit essay is oorspronkelijk verschenen in Israel National News en is herplaatst met toestemming van de auteur.

Wilt u meer nieuws over Israël ontvangen? Klik hier voor de dagelijkse gratis e-mail nieuws­brief.

Blijf op de hoogte van de gebeurtenissen in Israël via onze GRATIS nieuws update en aanbiedingen, u ontvangt deze direct in uw email inbox.