Shabbatslezingen 27 april: Naar het beloofde land

Friday, April 26, 2019 |  Redactie Israeltoday.nl
Wonen in Gods land, onder Gods hoede, in relatie met Hem, is Gods doel met zijn volk. Voor de Israëlieten het land Kanaän, en voor ieder die gelooft, wonen in Gods koninkrijk op aarde, nu aarzelend zichtbaar, en straks bij Jezus wederkomst ten volle.

De Bijbelgedeelten voor deze dag, Pesach 6 zijn:
✡ Torahlezing: Exodus 13:17 – 14:31,
✡ Profetenlezing: 2 Samuël 22,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Johannes 20:1-41.
In verband met het thema wijken we daar een beetje van af.

Een gedeelten uit de Torahlezing
Nadat de farao de Israëlieten uit Egypte liet gaan – of zelfs wegstuurde – ging de engel van God voor hen uit naar hun rustplaats, het beloofde land. Niet langs een zelfgekozen weg, maar achter Hem aan, door Hem geleid om Hem te leren kennen en gehoorzamen, om in het land te mogen wonen.

Toen de farao het volk had laten gaan, is het gebeurd dat God hen niet leidde langs de weg door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was. Want God zei: Anders zal het het volk berouwen bij het zien van oorlog en wil het naar Egypte terugkeren. Daarom leidde God het volk om, langs de weg door de woestijn naar de Schelfzee. In slagorde trokken de Israëlieten uit het land Egypte. En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich mee, want die had de zonen van Israël plechtig een eed laten zweren, en gezegd: God zal zeker naar jullie omzien, en dan moeten jullie mijn beenderen hiervandaan met jullie meevoeren. Zo braken zij op uit Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, aan de rand van de woestijn. De HEERE ging vóór hen uit, overdag in een wolkkolom om hun de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij dag en nacht verder konden trekken. Hij nam de wolkkolom overdag en de vuurkolom in de nacht niet weg voor de aanblik van het volk.
Exodus 13:17-22 (HSV).

Een gedeelte uit de Profetenlezing
De profeet Jesaja schrijft over de Messias, de nakomeling van Isaï en David, die rechtvaardig zal rechtspreken en oordelen over de volken, en over het vrederijk, dat Hij zal zal oprichten bij zijn wederkomst.

Want er zal een Twijgje opgroeien uit de afgehouwen stronk van Isaï, en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen. Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten: de Geest van wijsheid en inzicht, de Geest van raad en sterkte, de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN. Zijn lust zal zijn in de vreze des HEEREN. Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen. Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen. Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden. Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn, en de waarheid de gordel om Zijn middel.
Een wolf zal bij een lam verblijven, een luipaard bij een geitenbok neerliggen, een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn, een kleine jongen zal ze drijven. Koe en berin zullen samen weiden, hun jongen zullen bij elkaar neerliggen. Een leeuw zal stro eten als het rund. Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder, en in het nest van een gifslang zal een peuter zijn hand steken. Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE, zoals het water de bodem van de zee bedekt. Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn, Die zal staan als banier voor de volken. Naar Hém zullen de heidenvolken vragen. Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.

Jesaja 11:1-10 (HSV).

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Nu is alles afgelopen, dachten Jezus vrienden na zijn dood aan het kruis. Waren zij vergeten, dat Jezus over Zijn dood èn opstanding had gesproken? Zijn Koninkrijk wordt werkelijkheid door pijn en lijden heen.

En op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, toen het nog donker was, naar het graf, en zij zag dat de steen van het graf weggenomen was. Daarom snelde zij terug en ging naar Simon Petrus en naar de andere discipel, die Jezus liefhad, en zei tegen hen: Ze hebben de Heere uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem neergelegd hebben. Petrus dan ging naar buiten, en de andere discipel, en zij kwamen bij het graf. En die twee liepen samen, maar de andere discipel snelde vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. En toen hij vooroverboog, zag hij de doeken liggen, maar toch ging hij er niet in. Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging het graf wel binnen en zag de doeken liggen. En de zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen maar afzonderlijk, opgerold, op een andere plaats. Toen ging ook de andere discipel, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde. Want zij kenden de Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan.
Johannes 20:1-9 (HSV).

Blijf op de hoogte van de gebeurtenissen in Israël via onze GRATIS nieuws update en aanbiedingen, u ontvangt deze direct in uw email inbox.