Toen christenen Joden waren, de eerste generatie

maandag 11 februari 2019 |  David Lazarus
Hoe is de beweging, die duidelijk begon als onderdeel van het Jodendom, geworden tot wat we vandaag kennen als het christendom? Wanneer begon het christendom zoals we dat nu kennen?

Een vooraanstaand wetenschapper op het gebied van het christendom in zijn vroegste vorm, Paula Fredriksen, heeft veel geschreven over de Joodse context van Jezus' oorspronkelijke discipelen en over de vroege christelijke houding tegenover de Joden. In haar recente boek When Christians Were Jews (Yale Univ. Press, oktober 2018) presenteert ze een geschiedenis en analyse van het christendom toen het nog deel uitmaakte van het Jodendom.

Fredriksen benadrukt het Joodse karakter van die eerste generatie volgelingen van Jezus. Zij herinnert de lezers eraan dat Jeruzalem de kern van hun Messiaanse geloof vormde. De discipelen van Jezus verlieten Galilea om in Jeruzalem te wonen en te wachten op de terugkeer van de verrezen Jezus. Fredriksen stelt dat de vroege Joodse gelovigen verwachtten, zoals de Hebreeuwse geschriften leren, dat de verlossing voor de wereld zou voortkomen uit Jeruzalem en uit Zion, Gods 'heilige berg'.

Zij betoogt dat de discipelen een positieve houding hadden ten opzichte van de Tempel in Jeruzalem, en bestrijdt het idee dat het Jezus' onlusten in de Tempel waren die tot zijn arrestatie hebben geleid. 'Jezus heeft de tempel niet zozeer veroordeeld als wel een nieuwe geprofeteerd', schrijft Fredriksen.

Het geloof van de discipelen en hun hoop op Jezus als de beloofde Messias waren geworteld in hun onwankelbare toewijding aan het Joodse geloof. Aanvankelijk was hetgeen wij nu als christendom beschouwen eigenlijk slechts een vorm van Jodendom, en het omvatte geen niet-Joden, dat gebeurde pas later.

Zelfs Paulus' hartstochtelijke weigering om besnijdenis van de heidenen te eisen onder druk van de in Jeruzalem gevestigde Judaïsten was gebaseerd op profetieën uit het Oude Testament, dat in de laatste dagen de heidense volken tot de God van Israël zouden komen (bijv. Zacharia 8:20-23).

Hoe kwam het dat een groep Joodse discipelen een beweging op gang bracht die zou uitgroeien tot de niet-Joodse Kerk? De bijeenkomst van heidenen in de vroege ecclesia was 'onbedoeld', suggereert Fredriksen. Het gebeurde gewoon toen Paulus en anderen de boodschap aan het Joodse volk in de diaspora verspreidden. In synagogen in heel Klein-Azië waren er in die tijd heidenen die bekend stonden als 'Godvrezenden', die zich aangetrokken voelden tot de God van Israël en de Joodse cultuur, zoals het naleven van de Shabbat.

De vroege volgelingen van Jezus eisten van deze heidenen dat zij hun voorouderlijke goden niet meer zullen aanbidden. Dus de heidenen, die Jezus aanvaardden, konden niet langer als heidense niet-Joden worden beschouwd, ze waren ook niet langer Godvrezenden, noch proselieten van het Jodendom. In plaats daarvan werden ze gezien als de vervulling van de Schrift en de 'Komst van alle volken naar de berg van de Heer'.

Het centrale begrip van wat de niet-Joodse 'christelijke' identiteit werd, was het geloof dat het einde van het tijdperk en het Koninkrijk van God nabij waren. Hier hebben we een theologisch standpunt dat zowel de eenheid als het onderscheidend vermogen van Jood en niet-Joods omvat. 'In hun eigen ogen waren de vroege discipelen de laatste generatie van de geschiedenis,' merkt Fredriksen op. 'Het is alleen in de ogen van de geschiedenis dat zij de eerste generatie van de kerk zouden worden'.

Prof. Paula Fredriksen is momenteel werkzaam als Distinguished Visiting Professor of Comparative Religion aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem.

Wilt u meer nieuws ontvangen over Israël? Klik hier voor de dagelijkse gratis e-mail nieuwsbrief.

Laatste uitgave

Ontvang uw - gratis - dagelijkse nieuws update

Blijf op de hoogte van de gebeurtenissen in Israël via onze GRATIS nieuws update en aanbiedingen, u ontvangt deze direct in uw email inbox.